Radboudumc, als een dorp met veel ingangen

Afscheid

De laatste donderdag van juni was mijn laatste dag bij het Radboudumc als freelance trainer bij HR. Het was de slotdag van een leergang die ik begeleidde. En er was een afscheidsdiner met de mensen met wie ik intensief heb samengewerkt. Ik wist al lang dat dit moment zou komen, maar op de ochtend van die dag voelde ik toch emoties opkomen. Weemoed van afscheid nemen van een mooie tijd, mooie dingen die ik heb mogen doen samen met mooie mensen in een bijzonder ziekenhuis.

In de aanloop naar deze dag realiseerde ik me dat ik het Radboudumc op veel verschillende manieren ben binnengelopen. Ik ben er zo vaak geweest dat het meer werd dan een gebouw. Het werd een soort dorp met bekende gezichten, straten en ingangen. Dat gebeurde niet in één keer, maar ongemerkt, stap voor stap, herinnering na herinnering. Ik kwam er als vrijwilliger, patiënt, professional, deelnemer aan onderzoek en naaste van een patiënt. Elke rol had een andere ingang, een ander ritme en een ander gevoel.

Vrijwilligerswerk

De eerste keer stapte ik binnen als brugpieper van het Canisius College, om als vrijwilliger patiënten naar de kerk te brengen. Waarschijnlijk was het een idee van mijn moeder. Het bleek leuk en spannend te zijn, en het gaf ook voldoening. Een bed duwen, de weg kwijtraken, iemand blij maken die even uit haar kamer mocht, lol hebben met klasgenoten: het hoorde er allemaal bij. Veel later kwamen er andere vormen van vrijwilligerswerk op mijn pad. Dat begon met konijntjes haken voor overleden kinderen en hun ouders. Het voelde als een eer om zo bij te dragen aan troost bij zo’n groot verlies. Tijdens de coronatijd hielp ik in het kinderziekenhuis bij de schoonmaak. Ik kon me nuttig maken in een periode waarin iedere helpende hand welkom was om de druk te verlichten. Van betekenis kunnen zijn met kleine, eenvoudige dingen: dat voelde goed.

Het Radboudumc kwam ook voorbij in de wereld van onderzoek. Ik deed mee aan een Vierdaagseonderzoek: kracht meten in mijn handen, kijken hoe snel ik liep, een metertje op mijn been dat mijn bewegingen bijhield, uitgevoerd door onderzoekers die met zichtbaar enthousiasme hun werk deden.

Patiënt zijn

Helaas kwam ik er ook als patiënt. Tijdens één van mijn vele buitenlandse werkreizen liep ik malaria op: een mug die mij met grote heftigheid omverblies. Ik zie de arts nog de kamer binnenkomen, met een mengeling van boosheid omdat ik me niet goed had beschermd en bezorgdheid vanwege de ernst van de variant. Ze gaf mij zelfs haar privénummer. Later begreep ik dat zij veel onderzoek naar malaria had gedaan en het zelf ook eens had gehad. Dat bijzondere gebaar van betrokkenheid ben ik nooit vergeten. Ik heb haar daar later nog eens voor bedankt, toen ik haar in een andere rol op de gang tegenkwam. Een tweede keer belandde ik er met een voedselvergiftiging, die ik in hetzelfde land had opgelopen als de malaria. Ik had geluk dat een kennis in hetzelfde vliegtuig zat en mij de hele reis steunde en begeleidde. Ook hij hoorde bij het Radboudumc, inmiddels als hoogleraar. Vanuit de SEH werd ik naar een verpleegafdeling gebracht. Ik had geen idee waar ik beland was, maar ik wist wel dat er lieve mensen waren die voor mij zorgden. Na twee dagen mocht ik naar huis, met antibiotica om de kuur daar af te maken. Maar niet voordat twee geneeskundestudenten op mij mochten oefenen met het afnemen van hun eerste anamnese. Ook dat hoort bij een academisch ziekenhuis!

Werk

Het Radboudumc was ook mijn werkplek, of in elk geval een plek waarmee ik professioneel veel en op verschillende manieren verbonden ben geweest. Via Hago, een schoonmaakbedrijf dat nu Vebego heet, maakte ik de eerste uitbesteding van schoonmaak mee. Een spannende start, die een samenwerking opleverde die nu al zo’n dertig jaar voortduurt. Tien jaar geleden bedacht mijn zus, die bij HR werkte als trainer en coach, dat ik wel kon invallen toen er tijdelijk een tekort aan trainers was op de afdeling. Dat was het begin van mijn laatste en langste avontuur bij het Radboudumc. Een avontuur vol intervisies voor groepen variërend van studenten tot opleiders, en met allerlei sessies en trajecten voor startende PhD’s, laboranten, onderzoekers, startende leidinggevenden en medische professionals in alle soorten en maten. Het hoogtepunt was de begeleiding van een groep strategisch leidinggevenden die in Tanzania, samen met collega’s van een UMC daar, hun persoonlijk leiderschap versterkten. En dat alles samen met HR-collega’s die mij kansen gaven, mij spiegels voorhielden, persoonlijke verhalen deelden en vooral vertrouwen schonken.

Privé

En soms was het ziekenhuis verbonden met gewone, persoonlijke afspraken. Lunchen met een vriendin die vanuit Wolfheze op de fiets kwam en meedeed aan een onderzoek, op bezoek bij een zieke tante, of bij een vriend om de tijd tijdens zijn nierdialyse wat korter te laten lijken.

De meest indringende ingang was die via de voordeur, als naaste van een patiënt: mijn lieve partner. Dat voelde echt anders: kwetsbaar, onzeker en nieuw. Niet als professional die iets komt brengen, niet als vrijwilliger die helpt, maar als iemand die hoopt, wacht, luistert en vaak geen idee heeft wat er gaat gebeuren. Ik zat samen met mijn partner in een wachtkamer en ineens was het écht een ziekenhuis. Ik ontdekte wat verpleegkundig specialisten doen, zag hoe artsen verschillende rollen zorgvuldig gescheiden houden en merkte hoe wetenschap, in samenwerking met andere ziekenhuizen, heel concreet verschil kan maken. Dat alles bracht hem kwaliteit van leven, waar we samen heel dankbaar voor waren en zijn.

Zelfs thuis is het Radboudumc nooit ver weg. Als ik tegen half zes de deur uitga, weet ik bijna zeker dat er bekenden langskomen fietsen: medewerkers van het Radboudumc die aan de overkant van de Waal wonen en op weg zijn van hun werk naar huis. Onder hen mijn lieve nicht, die ik al kende lang voordat ik mijn eerste stap in het Radboudumc zette.

Dankbaar

Als ik al die momenten naast elkaar leg, zie ik geen losse herinneringen meer. Ik zie een plek die steeds opnieuw van betekenis veranderde, afhankelijk van de rol waarmee ik naar binnen ging. Soms kwam ik om te helpen, soms om geholpen te worden, soms om te werken en soms om dichtbij iemand anders te zijn. Het Radboudumc is voor mij daardoor geen abstract ziekenhuis, maar een dorp met een verzameling ingangen, gezichten, verhalen en ontmoetingen. Een plek waar ik heb gezien hoe kwetsbaar mensen kunnen zijn, maar ook hoeveel kracht er schuilt in aandacht, vakmanschap en nabijheid.